Roemenië, september 2002.

Na 10 jaar nog eens in Roemenië, een vergelijkend verslag.


De titel van dit verhaal is enigszins misleidend omdat wij sinds onze eerste reis naar Roemenië (zie ‘Het Beloofde Land?’ p. 11-46) elk jaar op zijn minst één keer daar geweest zijn. Het is echter sinds 1995 geleden dat we er nog eens met de auto naartoe geweest zijn.
De trip door Duitsland en Oostenrijk verloopt relatief vlot ondanks de vele files als gevolg van wegenwerken.
Het zal de meeste lezers wel bekend zijn dat de snelweg nu vanaf Wenen ononderbroken tot in Budapest loopt. Tien jaar geleden was dat wel anders. Over de laatste 25 kilometer voor de Oostenrijks-Hongaarse grens hadden we toen bijna drie uur nodig omdat vooral Turkse reizigers, wegens onveilige toestanden in het toenmalige Joegoslavië, via Hongarije en Roemenië naar Turkije reisden. De Hongaren wilden alles goed controleren en dit bracht ellenlange, zeer traag slenterende files met zich mee. Nu er een snelweg is, verloopt de reis tot Budapest zeer vlot. De kleurrijke dorpjes met hun pittoreske verkoopsstalletjes missen we echter wel.
Aangezien we er niet van op de hoogte zijn dat rond Budapest een ring ligt, rijden we door de Hongaarse hoofdstad. Hier is in die tien jaar tijd, op vele schreeuwerige reclamepanelen na, weinig veranderd. Er is nog altijd veel verkeer en dit vertraagt de reis aanzienlijk.

De grenspost Artánd-Bors is, maar dat wisten we al een tijdje, helemaal vernieuwd. Alleen de oude administratieve hoofdgebouwen staan er nog en dat is eigenlijk wel goed want, ook al zijn die gebouwen oud en misschien niet meer zo functioneel, ze hebben een zekere charme. Het nieuwe gedeelte van de grensovergang geeft een sombere, donkere indruk. Die donkerte zal ’s zomers wel aangenaam zijn en een koel intermezzo betekenen voor de reizigers die in hun door de zon verhitte auto hebben staan aanschuiven tot het hun beurt was om de papieren te tonen en de pasporten te laten afstempelen. En dat laatste is ook tamelijk nieuw, althans de variante dat er geen visum meer moet aangekocht worden. Waar de Roemenen en Hongaren hun koffers moeten openen en zelfs laten inspecteren, mogen wij doorrijden zonder dat ons een echte blik ‘gegund’ wordt. Dit deert mij niet in het minst want ik heb een grondige hekel aan wat voor grensovergang dan ook. Het is ondertussen al 16u. en aangezien ik hoop om voor 19.30u. in Turda bij Andreï’s moeder aan te komen, besluit ik om geen geld te wisselen noch, om zoals afgesproken Andreï, op te bellen om mee te delen dat we in Roemenië gearriveerd zijn.
De Fabriek van Oradea stinkt niet meer als tien jaar geleden (zie ‘Het Beloofde Land?).
De hoop om rond 19.30u. in Turda aan te komen blijkt al vlug ijdel te zijn. Tussen Oradea en Cluj wordt de E60 grondig vernieuwd. Op zeer veel plaatsen is slechts één rijvak beschikbaar en het berijdbare wegdek is in uiterst slechte staat. Je mag er eigenlijk niet aan denken dat alle belangrijke vrachtverkeer naar het zuiden of het noorden hier voorbij moet kruipen.
Vanaf een tachtig kilometer voor Cluj beginnen we uit te kijken naar een benzinestation waar we met onze Visa-kaart kunnen betalen. We weten al een tijdje dat er overal te lande een overvloed aan nieuwe benzinestations uit de grond gestampt zijn en worden. We hopen er dus op dat op zijn minst één station op onze reisroute zo modern is dat we er met de Visa-kaart kunnen betalen. Het ziet ernaar uit dat we pech zouden hebben tot we op enkele kilometer voor Cluj een tankstation opmerken waar met de Visa-kaart kan betaald worden. We tanken vol en rijden verder richting Cluj en Turda.
We bereiken Cluj voor valavond. De stad ziet er opgekuist uit en overal wapperen Roemeense vlaggen. Waarom al die vlaggen? Bij ons weten valt er hier half september niets te vieren. Later vertelt Andreï ons dat dit alles te maken heeft met de nationalistische burgemeester van Cluj. Aan de verkeerslichten lopen schooiertjes ‘hun dagtaak’ te verrichten. Tien jaar geleden hebben we dat, noch de lijmsnuivertjes op het voetpad, gezien in Cluj.
We bereiken Turda uiteindelijk om 21u. Andreï’s moeder is aangenaam verrast ons nog te zien aankomen, vooral omdat ze hoogstens vijf minuten tevoren een telefoontje gekregen had van Andreï dat het niet meer voor ‘vandaag’ zou zijn. We zijn nog maar juist binnen als een buurvrouw aanklopt die Andreï’s moeder bij alles en nog wat bijstaat. Binnenskamers behelpt ze zich wel met een looprekje maar haar fysische toestand is het laatste jaar zodanig verslecht dat hulp meer dan welkom is. Aangezien Andreï’s moeder alleen Hongaars of Roemeens spreekt en slechts enkele woorden Duits én ook omdat ons Roemeens beneden alle peil is, wordt Helga, een nichtje opgebeld. Ook voor Helga is het een verrassing dat we toch aangekomen zijn. We krijgen verse soep met brood te eten en er wordt over koetjes en kalfjes gepraat. We brengen ter sprake dat het al meer dan een jaar geleden is dat de oma in het centrum van Turda was. We stellen voor om haar ’s anderendaags eens rond te voeren in een rolstoel. Dat ziet oma niet zitten want al die bekenden zouden medelijden tonen en daar moet ze niets van weten.

De volgende dag, een zonnige zaterdag, rijden we oma toch naar buiten. In haar eigen straat wil ze wel wat over en weer rijden. Als we een klein straatje aan de overkant inslaan komt er geen protest. Op het einde van dat straatje doet ze teken dat ze terug wil keren. Maar als we weer in haar straat komen en de richting van het centrum rijden, komt er helemaal geen protest. Zo probeert ons, ondanks de taalbarrière, een en ander uit te leggen. Ze toont waar haar kerk is en wij rijden er met haar naar toe. De ‘concierge’ van de kerk doet open. Blijkt dat het meer dan twee jaar geleden is dat ze de kerk van binnen zag. (Oma stierf eind 2003)

We hebben met Andreï en Tina om 13.30u. in Târgu Mures afgesproken. Andreï en Tina moeten er naar een trouwfeest in het Continental Hotel en wij zullen de stad verkennen. ’s Anderendaags zullen we dan samen over Corund naar Râsnov rijden. De weg van Cluj naar Târgu Mures is al langer goed te doen maar eens we het centrum van Târgu Mures naderen… Werken en werken en werken en ook nog stof en stof en stof. Ondanks de stoffige werken is het centrum er properder op geworden. Ook hier zijn de schooiertjes en de lijmsnuivers op post aan de verkeerslichten. De Roemeense ‘vijf minuten’ kunnen nog altijd een paar uren duren, we verschieten er dus niet echt van als Andreï en Tina pas om 15u. aan het hotel aankomen.
’t Is blijkbaar trouwdag vandaag. Aan de grote orthodoxe basiliek staan de trouwlustige koppeltjes aan te schuiven. Er heerst een gezellige sfeer op het centrale plein dat overal met bloemen beplant is. Aan een kraampje kopen we een ‘hot dog’ met mosterd terwijl we geamuseerd kijken naar een pas getrouwd koppeltje dat met enkele vrienden op het plein staat te dansen op de tonen van een zeer ritmisch populair Engels liedje dat met maximaal volume uit de luidsprekers van hun auto komt. Als het liedje gedaan is springen ze in de auto en rijden weg. We kunnen ons niet voorstellen dat dit tien jaar geleden zou mogelijk geweest zijn zonder dat de politie tussenbeide kwam. En bloemen, overal zijn er bloemen. Ook onderweg naar hier zijn al die bloemen aan de huizen en de tuintjes echt opvallend. Roemenië lijkt, uiterlijk toch, opengebloeid.
We zijn aangenaam verrast als we in de muur van een bankgebouw een geldautomaat ontdekken. Daar we nog geen Roemeens geld hebben proberen ‘de muur’ én het werkt…
’s Avonds vinden we een restaurantje met terras in een van de poorten op het centrale plein. We bestellen er burta, een zure soep met koeienmaag, koteletten met salade, twee biertjes en nog een en ander. De rekening, 258.800 Lei, lijkt ons nogal mee te vallen. Wetend dat het gemiddeld maandloon in Roemenië om en bij de 3000.000 Lei bedraagt, realiseren we ons dat wij naar Roemeense koopkracht eigenlijk duur gegeten hebben.

Op zondagmorgen zijn we bij een nicht van Andreï op de koffie uitgenodigd. Helga en haar moeder zijn daar ook. Na de koffie besluiten ze naar een hondenshow te gaan in de ‘Citadel’ van Târgu Mures. Met Andreï ‘klets’ ik nog wat over koetjes en kalfjes om daarna ook naar de hondenshow te trekken. Wat we daar aan rashonden zien, hou je niet voor mogelijk. Een echte hondenshow met alles erop en eraan in Roemenië, dat algemeen gekend is als het land van de straathonden die te pas en te onpas voor de wielen en de voeten lopen, is wel het laatste wat we hier verwachtten. Er wordt zelfs een aantal honden van het ‘nieuwe’ Roemeense hondenras tentoongesteld.
We besluiten om via Corund naar Râsnov te rijden. Onderweg op ‘den bergaf’ van Acatari, waar er zeer dikwijls ajuinverkopers staan, kopen we ajuinen en wat verderop ook nog tomaten en paprika’s.
In Corund kopen we een aantal soepkommetjes met blauwe en gele versiering en omdat we nogal veel kopen krijgen we een vaas toe. Het is al een aantal jaren geleden dat we nog in Corund waren en de verandering is dan ook zeer opvallend. Om kort te zijn komt het erop neer dat Corund één grote kitch-bazar geworden is waar de voor dat dorp authentieke ceramiek slechts nog een derde rangsrol krijgt. Naar wat op de binnenkoertjes van de pottenbakkers te zien is, betekent dit echter niet dat er minder aan ‘potterij’ gedaan wordt. Als we op veel plaatsen elders te lande, waar veel ‘passage’ is, de als paddenstoelen uit de grond gerezen souvenirsstalletjes zien, dan begrijpen we wat er gaande is. De pottenbakkers verkopen hun waar gewoon overal te lande en het zou mij niet verwonderen moesten ze nu een grotere omzet hebben dan een aantal jaren geleden. Van Corund rijden we al over Baile Tusnad en Mircurea Ciuc naar Brasov en Râsnov.

Het huis van Andreï en Tina is bijna helemaal opgeknapt. Van het typische Saxische huis hebben ze een modernere versie gemaakt met echt alles erop en eraan. Andreï en Tina hebben een naar Roemeense normen zeer goed betaalde job en dat is eraan te zien (zie ook ‘Het Beloofde Land’). Ze hebben het huis van de vroegere eigenaars gekocht, die naar Duitsland uitgeweken zijn. Hun appartement bij Romacril hebben ze een tweetal jaar geleden verkocht voor een appel en een ei. Een appel en een ei? Wel Romacril bestaat niet meer. De nieuwe bureaus in aanbouw staan dus nog altijd in ‘het ruw’ en de woonsite naast de fabriek is voor niemand echt interessant wegens afgelegen én uitgeleefd.

Terwijl Andreï en Tina uit werken zijn, snuisteren we wat rond in de massa’s boeken die vanuit het appartement naar hier gebracht zijn. Plots ontdek ik een muis die in de zon bovenop een muizenval zit te slapen. ’t Is een mooi, dik muizeke dat zelfs niet eens de moeite doet om weg te lopen als ik haar probeer te fotograferen. Na de middag trekken we het bos in, bergop richting citadel. Daar zijn volop grote werken aan de gang. Een rijk Italiaans zakenman die in Boekarest woont, heeft de citadel gekocht en zal ze restaureren volgens plannen van de oorspronkelijke citadel die hij in een museum in Wenen gevonden heeft. Eerlijk gezegd: ’t zal mooi zijn maar een ruïne restaureren? Het zal wel ergens goed voor zijn. We wandelen nog een paar uren door het uitgestrekte bos. Op open plekken staan nog heel wat bloemen in bloei, een knalpaarse geraniumsoort is werkelijk zeer opvallend.

Dinsdagmorgen vertrekken we naar de ‘gorge’ van Zarnesti. Een tweetal jaren geleden was ik hier voor het laatst ’s winters met Andreï. Toen was de kloof helemaal ondergesneeuwd en voor een deel onherkenbaar. Nu ziet ze er op zijn ‘einde van de zomers’ uit. Her en der zijn er bomen met verkleurende bladeren. De zomerbloemen zijn nog niet allemaal verdwenen en voor het eerst zie ik hier een van de mooiere herfstbloeiers, de donkerblauwe franjegentiaan (Gentianella ciliata). Als we terug bij de auto komen, hebben we goed acht kilometer gewandeld. Het is nog vroeg en we besluiten om met de auto de houthakkersweg aan het einde van de kloof te volgen in de hoop ergens in de omgeving van Sirnea of zelfs Rucar uit te komen. Zo’n weg berijden is eigenlijk een beetje gekkenwerk, zeker als je geen ‘vier x vier’ hebt (wij rijden met een Citroën Berlingo diesel). Anderzijds is het echt een prachtige ervaring op voorwaarde dat je er de tijd voor neemt, geconcentreerd en voorzichtig rijdt én je ogen de kost geeft. Na zowat zeven kilometer rijden kunnen we niet meer verder. Wegenwerkers, of zijn het houthakkers, voeren herstellingswerken uit aan de weg en met een lange stok proberen ze een afwateringbuis te ontstoppen die onder de weg doorloopt. We maken dus rechtsomkeer om bij het begin van de ‘gorge’ door het bos de weg richting Magura te volgen. Het heeft ondertussen wat geregend. Het panorama dat we te zien krijgen eens we het bos verlaten is… Hier zijn geen woorden voor en als de zon haar waterige, gele schijn over het landschap laat glijden, ja, dan is het helemaal prachtig. Magura is nog min nog meer een landbouwgemeenschap zonder dorpskom. Er is een kerkje en de huizen en boerderijtjes liggen schaars in het landschap ingeplant. We volgen de weg die er het meest bereden uit ziet en waarvan we dus denken dat het de hoofdweg is. We zullen wel zien waar we uitkomen. In de regen bereiken we Pestera en de weg naar Bran. Tina en Andreï zijn al terug thuis van hun werk als we in Râsnov aankomen.

Woensdagmorgen vertrekken we naar vakantienormen vroeg in de morgen richting Buzau. Andreï moet er een cliënt bezoeken. Wij zullen in de omgeving van Berca uitstappen en naar de Vulcanii Noroiosi stappen. Het is tien jaar geleden dat we langs hier voorbijkwamen. Het landschap is prachtig en op wat nieuwbouw en verfraaiingen na zijn er in de dorpen geen opvallende nieuwigheden. Ook de weg is goed te doen deze keer (zie Het Beloofde Land?, p. 31 – 26 juni 1992). De appartementsblokken met papieren buitenbekleding aan het stuwmeer zijn niet meer bewoond. Ze staan er erg vervallen bij. Hier en daar is de buitenbekleding los gekomen en hangt te wapperen in de wind. Er zijn ook heel wat kapotte ruiten te bespeuren. Het industriegebied langs de andere kant van de weg staat er maar roestig en vervallen bij. Het ziet er allemaal wat zielloos uit. Een aantal kilometer verder helpen we een Europese moerasschildpad de weg oversteken. Het bange dier trekt zich helemaal in haar schild terug en het duurt lang eer ze weer naar buiten komt wat me uiteindelijk toelaat haar te fotograferen.
Ter hoogte van van Berca rijdt Andreï ons naar de moddervulkanen. We volgen een deels geasfalteerde, deels gebetonneerde landweg die echter hier en daar, vooral op hellende gedeelten, een pure grind- of aardeweg is. Na een tijdje verandert de weg helemaal in een typisch steenslagspoor. Het valt op dat er in deze streek geen enkele evolutie merkbaar is. De huisjes en tuintjes zien er tamelijk goed tot goed onderhouden uit maar dat was tien jaar geleden ook al zo. Op slechts één huisjes staat er een kleine TV-antenne. In de omgeving van de olieboorputten is duidelijk grote schoonmaak gehouden zodat, oppervlakkig althans, niets meer te bemerken valt van alle verroeste dingen en andere vuiligheid (zie Het Beloofde Land?, p. 32). Het is prachtig weer. Er staan nog opvallend veel bloemen in de bloei en er vliegen allerhande vlinders in het rondte. Bomen en struiken in de omgeving van de moddervulkanen hebben van een bosbrand te lijden gehad. Die moddervulkanen blijven een merkwaardig natuurfenomeen maar wat de bezoekers aan de onmiddellijke omgeving aanrichten is eigenlijk wraakroepend. Een of andere ‘pipo’ heeft met zijn auto zo hoog mogelijk op de grootste vulkaan gereden. Overal liggen glasscherven en vuiligheid. Van de moddervulkanen wandelen we heen en terug naar Beciu. Een herder trekt er met een grote kudde geiten door het schrale landschap dat met jaknikkers en elektriciteitspalen ‘opgefleurd’ wordt. Een stel arbeiders die een van die jaknikkers repareren, poseren enthousiast voor een foto nadat ik hen vroeg of ze op de foto wilden. Het dorp Beciu is heel pittoresk. De straten zijn er stoffig tot modderig maar de huisjes en tuintjes zijn allemaal goed onderhouden. Ook hier vallen de vele bloeiende bloemen op.
Eer we naar Tabare Magura rijden, het monasterium met de vele beelden in de omgeving, stoppen we aan een winkeltje om wat brood en kaas en water te kopen. Uit het vuistje etend rijden we verder. Deze keer (zie Het Beloofde Land?, p. 33) nemen we ruimschoots de tijd om de beelden te bekijken. We slaan ook een babbeltje met een van de monniken die met de koeien terug naar huis komt. Op onze vraag waarom er geen beeldhouwwerken meer bijkomen antwoordt hij: “Oh, er staan er al meer dan genoeg en niemand is erin geïnteresseerd.” Hier wordt de beeldhouwkunst dus niet meer gepromoot. We nemen dezelfde weg naar huis als tien jaar geleden. Ook hier is niet echt opmerkelijk veel veranderd. Alleen in Cheia, bij de bergpas Bratocea, zijn er grote nieuwe huizen gebouwd en hotels. Deze streek heeft duidelijk toeristische ambities. Het regent en er is mist op de bergpas, de avond valt en het is donker als we thuiskomen.

Donderdag hebben we een dag ‘congé’ genomen. ‘s Vrijdags vertrekken we vroeg naar Sinaia. We zijn al zo dikwijls in Roemenië geweest, ettelijke keren zijn we door Sinaia gereden maar noch nooit hebben we het Peles en het Pelesilor bezocht. Ter hoogte van Pârâul Rece steekt juist voor ons een berin met haar jong de straat over. Dit is werkelijk… waw! We zetten de auto langs de kant, zoeken koekjes om ze te lokken en in ons omgeving te houden zodat we enkele foto’s kunnen nemen. We hebben ruim een kwartier de beren van heel dichtbij bewonderd, in de auto wel te verstaan én met draaiende motor maar met open ramen.
Het Peles is echt een bezoek waard ook al zit er niet echt een eenduidige architecturale lijn in het geheel. Het is een typisch huis van iemand met veel verschillende interesses, van iemand die veel dingen mooi vond en ze verzamelde. Het Pelesilor heeft wel meer lijn. Van alle schatten die in beide kastelen te zien zijn, verwondert de aanwezigheid van twee vazen en een lamp van Emiel Gallé mij het meest. Dit heeft vooral met mijn interesse voor het werk van Gallé te maken en betekent geenszins dat ik de andere schatten van beide huizen minder mooi vind. Maar drie echte Gallé’s in één locatie? Dat is zelfs in Frankrijk, het land van Gallé, niet evident.
Na een kort bezoek aan het monasterium van Sinaia kopen we nog een bloemetje voor Tina en gaan we naar een fastfood restaurant waar we met Andreï afgesproken hebben. Aan de deur staan kinderen en honden te schooien. Af en toe krijgen de kinderen een fooi en de honden een beentje van de mensen die het restaurant verlaten. Die kinderen zijn echt gehaaid. Zien ze dat klanten, aan de tafels die het dichtst bij de deur staan, de tafel verlaten hebben, dan haasten ze zich naar binnen om zoveel mogelijk etensresten te pikken. De dienster, die dit niet mag laten gebeuren, is veelal te laat om ze weg te jagen. Eén enkele keer gebeurt het dat ze een van de kinderen te pakken heeft om ze dan met veel getater aan de deur te zetten. Het is een grappig schouwspel, een spelletje van kat en muis lijkt het wel. En het wordt nog plezanter als we zien dat de serveerster, die om een of andere reden het restaurant gedurende een korte tijd verlaten heeft, buiten vriendschappelijk met die kinderen omgaat en hen zelfs even knuffelt. Die schooiertjes zijn echte toneelspelers. Het ene moment staan ze vrolijk tegen mekaar te kwetteren, en plots, lijken ze een en al met opgestoken hand schooiende ellende. Ook de honden lijken goede schooiers. Reeds als de klanten het restaurant binnengaan ‘tonen’ ze hun aanwezigheid en dit heeft dikwijls goed resultaat want oplettende klanten nemen een beentje voor de hond mee naar buiten. Een raar fenomeen, die Roemeense ‘wilde’ honden. Hier krijgen ze een beentje, elders een korst brood misschien maar het is heel goed mogelijk dat de milde schenker van nu wat verder een hond die voor zijn voeten loopt een schop voor zijn kont geeft of hem in het ergste geval overhoop rijdt. Roemenië en zijn honden: je vind ze in alle mogelijke hoedanigheden. Ze zijn mooi en gezond, lelijk en gezond, ziek of gehandicapt, pas dood, uiteengereten of tot ‘papier’ vergaan.

Slanic met zijn zoutberg en zoutmijnen is ook een omweg waard. Ook hier zijn we in al die tijd nog niet geraakt. We vertrekken vanuit Râsnov om via Sinaia en Comarnic door de bergen heen Slanic te bereiken. Eens we de lange, steile helling vanuit Comarnic opgereden zijn komen we in een landschappelijk prachtig gebied. Eens op den buiten zijn de wegen zoals we ze hier al een tijdje kennen: ruw of modderig, met putten en stenen. Dat stoort ons echter geenszins. Een mens rijdt dan wel wat trager maar wat je ervoor in de plaats krijgt is… héél mooi. Her en der staan de nog recent gemaaide weiden vol bloeiende herfsttijloos. Juist voor Tesila, de weg is er sterk hellend bergaf, bestaat het wegdek uit beton. Eens de helling achter de rug, verandert het wegdek weer in de traditionele oneffenheid van modder en stenen. Enkele mensen kennen de weg naar Slanic wel maar ze raden het ons ten stelligste af om die te gebruiken. We besluiten om dan maar om over Câmpina en Ploiesti naar Slanic te rijden. Het is al tamelijk laat als we in Slanic aankomen en het regent. We gaan eerst een kijkje nemen bij de zoutberg. Als we wat later bij de oude zoutmijn aankomen, sluit de opzichter juist de deuren. Wij en nog andere bezoekers moeten onverrichter zake terugkeren. Terug naar de zoutberg dan maar en het gezellige restaurant daar vlakbij. ’s Avonds besluiten we om morgen, zondag, naar Slanic terug te keren langs Ploiesti. Het is zonnig en we zijn er deze keer wel op tijd en… echt waar, het is de moeite geweest om terug te keren. De oude mijn is echt indrukwekkend. De verschillende zoutlagen geven een marmerachtig aspect aan de wanden. Een opzichter verkoopt zoutkristallen in alle maten en vormen. Ook de zoutberg ziet er onder de zon veel mooier uit, zijn zoutkristallen glinsteren in het zonlicht. Een eigenaardigheidje? Om bij de zoutberg te komen moet je 30.000 Lei inkom betalen. Gisteren moest dat niet want in de regen was niemand in die zoutberg geïnteresseerd.
Van de zoutberg rijden we naar een groene berg iets buiten Slanic. Het gesteente is er merkwaardig groenachtig turkoise van kleur en er zou daar ook albast gevonden worden. Tussen de afschilferende stenen zitten fossielachtige ‘plantenfiguren’ die echter in de verste verte geen fossielen zijn. Die figuren zouden oxidaties zijn van ijzerelementen die zich in en tussen de stenen bevinden.
We keren terug via Plopeni en Cocorastii Mislii waar op een heuvel massaal aan oliewinning gedaan wordt. Het is hier trouwens een streek van oliewinning. Via Sinaia rijden we de bergen in richting Târgoviste om ter hoogte van Glod in het Bucegi gebergte een bloem te gaan bekijken die Andreï daar een tweetal weken voordien gezien had. Vanaf het Sanatoriul Moroeni is de weg echter rotslecht. Andreï, die de auto bestuurt, vindt dit wel plezant, wij ook trouwens maar af en toe rijdt hij wel wat geweldig, ook hier dus. Als we stoppen om een vrachtwagen door te laten doen wandelaars ons teken dat onze wagen olie verliest. Wij kijken onder de wagen en zien dat er een gat in het carter geslagen is… We slagen erin om de auto te draaien en keren zonder motor de ruim 12 kilometer naar Sinaia terug. Dat lukt wonderwel want het is heel de tijd bergaf. Daar belt Andreï een sleepdienst op die na een half uurtje de auto naar Râsnov vervoert. Andreï had Tina van het voorval ingelicht maar ze is hiervan allang niet meer onder de indruk.

’s Maandagsmorgens zijn we al vroeg op weg. We voeren Andreï en Tina naar hun werk in Brasov om ons dan via Sibiu en Arad huiswaarts te begeven. De reis door dit deel van Roemenië verloopt langzaam maar toch vlot. In elk dorp houden we ons tamelijk strikt aan de snelheidsbeperking van maximum 50 kilometer per uur. Hier en daar mag het verkeer zelfs niet rapper dan 30 kilometer per uur. De politie is op heel wat plaatsen in de weer met haar nieuwe radartoestellen. Hier en daar worden chauffeurs bekeurd ondanks het feit dat nogal wat collega’s chauffeurs met knipperende lichten aanduiden dat er snelheidscontroles aan de gang zijn. Het zal dus nog een tijdje duren eer ze hier de ernst van die snelheidscontroles begrepen hebben. Op de velden is men druk in de weer met de aardappeloogst.
Aan de grenspost van Nadlac staat voor ons een auto met twee jonge gasten. Ze gaan vriendschappelijk om met de politiemensen, praten en lachen. Maar uiteindelijk mag de jongste van de twee Roemenië niet uit. Er blijkt iets niet in orde met zijn paspoort. Met een lang gezicht haalt hij zijn bagage uit de koffer van de auto en ontgoocheld nemen ze afscheid van mekaar. Aan de rij waar vrachtwagens en grote bussen de controle moeten passeren, staat een hoge ladder. Een politieman kruipt erop om na te gaan of er iets of iemand boven op de vrachtwagen of bus ligt.
Rond 22.30u. zijn we in Oostenrijk in de omgeving van Linz waar we een hotelletje vinden. De dag erna, tot thuis rijden we van de ene file naar de andere zodat we laat en doodmoe thuis aankomen.

Ook al ben ik sedert 1992 meerdere keren in Roemenië geweest, het was de moeite om op deze reis eens terug te denken aan het Roemenië dat ik tien jaar geleden voor de eerste keer leerde kennen.

2002:
· Veel huizen zijn mooi ‘opgekuist’ en er zijn allerhande kleuren in het stadsbeeld. Overal, echt overal zijn er bloemen geplant, en wat een diversiteit!
· In Cluj en Târgu Mures waren groepen schooiende kinderen opvallend aanwezig. Terwijl de ene helft van de groep actief schooit, vooral aan de verkeerslichten, is de andere helft actief lijm aan het snuiven. Dit lijkt ons een waar contrast in het kleurige straatbeeld.
· Ten allen kante zijn er bordjes om passanten logement aan te bieden. Met hulp van Phare (EEG) wordt het rurale toerisme ontwikkeld.
· In Corund, het bekende pottenbakkersdorp, is er meer kitch te koop dan wat anders.
· De ‘Trabant’ is in het straatbeeld een zeldzaamheid geworden.
· Alle Roemeense bankbriefjes zijn uit een soort propyleen (bi-georiënteerd biopropyleen) vervaardigd. Een Australisch bedrijf zou op het idee gekomen zijn om plastiek geldbriefjes te maken voor de tropische landen omdat plastiek niet lijdt onder de vochtige omstandigheden. En aangezien plastiek ook niet zo aan sleet onderhevig is, is dit soort biljetten ook voor de Roemenen interessant want ze bewaren hun bankbriefjes meestal in hun zakken en dat is zeer sletig voor het geld.
· Veel van de verkoopsstalletjes, kleine winkeltjes, restaurantjes… van tien jaar geleden bestaan niet meer of zijn niet meer actief. Andere, vooral die op strategische plaatsen zoals de parkings tussen Predeal en Sinaia, bestaan nog. De niet actieve, die ‘fysysch’ nog aanwezig zijn, staan te vervallen. Er zijn wel ontzettend veel souvenirsshops in het straatbeeld verschenen.
· Als gevolg van de overnames van de Roemeense brouwerijen door westerse brouwerijen (bvb. Interbrew), is het in Roemenië gebrouwen bier echt lekker geworden. Het Roemeense ‘Bergenbier’ is wat aan de fletse kant. ‘Alami’, de Roemeense ‘Palm’ is heel lekker. Ciuc verdient een pluim, echt goed en ‘Ursus’ van de South American Brewery mag er ook zijn. Hun bruine ‘Ursus’ smaakt lichtjes naar zoethout. Bucegi-bier wordt in petflessen van één liter verkocht, het is drinkbaar.
· Er is nog altijd veel politie te zien.
· In Petea, dicht tegen de Hongaarse en Oekraïnse grens, zou het gemeentebestuur een taks leggen op al wie de gemeente verlaat.
· Er rijden veel minibusjes (maxi taxi) rond en ook grote bussen die toeristen vervoeren of ‘lijnritten’ verzorgen tussen de voornaamste plaatsen in Roemenië maar ook tussen Roemeense en Europese steden.
· Er staan goede kleurenfoto’s in de kranten.
· Op zeer veel plaatsen slingert het vuil in het rond. De vuilbakken staan niet waar ze zouden moeten staan (bvb. aan de bushaltes van het Peles in Sinaia).
· Armeniërs zouden de belangrijkste aandeelhouders zijn van de grote olierafinaderij in Ploiesti.
· Er is nog altijd geen waterleiding in de meeste dorpen en kleine gemeenten. De waterputten worden dus nog altijd goed gebruikt. In het district Alba Iulia zouden nog altijd veertig gemeenten van elektriciteit verstoken zijn.
· Er worden nog steeds ten allen kante kerken bijgebouwd.
· Alhoewel de openbare telefoon werkt, lopen ontzettend veel mensen met een GSM rond.
· Te lande, zelfs langs de belangrijkste verkeersassen, zijn mensen op wandel met hun koe, of een kleine kudde schapen of een bende ganzen of kalkoenen. Nogal wat oudere mensen sprokkelen hout. Hout is duur in aankoop.
· De appartementsskeletten in Brasov raken beetje bij beetje ‘aangekleed’.
· De Roemeense vijf minuten duren nog altijd een uur of meer. Op tijd komen…?
· Er wordt door ons vrienden bijna niet meer over politiek gepraat. Dé gespreksonderwerpen bij uitstek zijn het werk en de buitenlandse bazen.
· De meeste paardenkarretjes hebben langs achteren reflecterende, vooral Duitse, autoplaten, niet omdat ze geregistreerd zijn maar omdat ze zouden opvallen.
· Het wegslepen van Andreï’s auto kostte 1.200.000 Lei, dit komt overeen met een prijs van 30.000 Lei per kilometer.
· Het toiletpapier heeft nog altijd bij benadering de hardheid van schuurpapier.
· Aan de rand van alle belangrijke steden rijzen de grootwarenhuizen genre ‘Metro’ uit de grond. De oude staatswinkels zien er belabberd uit. Ze blijven echter, waar ze nog open zijn, de enige mogelijkheid voor de gemiddelde Roemeen om aankopen te doen want in de warenhuizen kosten de meeste producten evenveel als in het West-Europa.
· Hoe slagen de mensen erin om proper gekleed rond te lopen in een stoffige omgeving?
· Ook nu kan je niet beweren dat de Roemenen er ongelukkig uit zien.

Rik Neirynck, september 2002.